VAATPLANTEN

Systematiek van het plantenrijk. Er zijn een kleine 300000 plantensoorten beschrijven. Als voorbeeld kiezen we Varkensgras. De wetenschappelijke naam, Polygonum aviculare, bestaat uit twee delen. Het eerste deel, Polygonum, wordt meestal met een hoofdletter geschreven en is de naam van het genus of geslacht waartoe de soort behoort. Het tweede deel, aviculare, is de eigenlijke soortnaam. Op zijn beurt behoort het geslacht Polygonum tot de familie van de Polygonaceae of duizendknopen. Families worden op hun beurt samengevoegd tot ordes van families. Zo behoort de familie der polygonaceae tot de orde van de Caryophyllales, die uit ongeveer 11000 soorten bestaat. Een aantal families behoort tot een verzameling planten met een gemeenschappelijke voorouder. Zo'n verzameling heet een clade. De clade van het varkensgras is de superasteriden, die weer tot de angiospermatophyta behoren.
Voor veel meer informatie over clade, familie, enz. kun je een goede eerste kennismaking vinden op APG_IV-systeem. Zelf ben ik een trouwe bezoeker van ANGIOSPERM PHYLOGENY WEBSITE.
De angiospermen of bedektzadigen hebben bloemen met stampers en meeldraden. Een algemeen gebruikelijke indeling van het vaatplantenrijk is hieronder in tabelvorm weergegeven. Tussen vierkante haken staat de orde van de planten vermeld die tot een bepaalde groep horen. Zo behoort de orde van de caryophyllales of nr. 47 tot de bedektzadigen. Bovendien staan in de tabel het totaal aantal geschatte soorten. De 238 soorten van de familie van de dennebomen of pinaceae behoren tot de 1045 soorten naaktzadigen. Verder behoren de blauwe inspringende regels bij de zwarte regel(s) erboven.

Tracheophyta ~ Vaatplanten [1, .. ,83] (278181)
Lycophyta ~ Wolfsklauwen en Biesvarens [1,2,3] (1300)
Euphyllophyta ~ Varens en Zaadplanten [4, .. , 83] (276881)

Monilophyta ~ Varens [4, .. ,14] (9269)

Spermatophyta ~ Zaadplanten [15, .. ,83] (267612)
Gymnospermae ~ Naaktzadigen [15, .. ,19] (1045)

Angiospermatophyta ~ Bedektzadigen [20, .. ,83] (266567)

Voordat de vaatplanten ontstonden, waren er al allerlei (micro-)organismen. Deze waren in staat om (voorlopers van) bladgroen te verwerken. Denk hierbij aan bijvoorbeeld algen en vele soorten mos. Deze plantachtigen bleven klein. Op zeker moment ontstonden er vormen, waarin vaatjes en buisjes ontwikkeld werden voor het (gescheiden) transport van water, voedingsstoffen en afvalstoffen. Vanaf dit moment zijn er vaatplanten.
Een lange ontwikkeling volgde. Als eerste was er het probleem om de vaten te laten splitsen. Toen dit gelukt was moesten er in de vertakkingen ingewikkelde problemen opgelost worden. Er moesten vertakkingen komen van de aanvoer en van de afvoer. Vervolgens groeiden tussen de fijnste vertakkingen, de zogenaamde nerven van het blad stukken groen blad. Nodig voor de volgende fase.
Een tweede grote ontwikkeling was het onstaan van de euphyllophyta of bladen van planten, die speciaal bestemd waren voor de voortplanting. Aanvankelijk gebeurde dat door losse sporen, die vaak afgezet werden in de oksels van bladeren. Dan was er nog enige bescherming. Er bestaan nog ca 1300 van deze lycophyta in de vorm van wolfsklauwen en biesvarens, waarbij weinig of geen bescherming is van de sporen of voortplantingscellen.
De eerste oplossing was de sporen op te bergen in kleine bolletjes of zogenaamde sporedoosjes op de vruchtbladen. Op de achterkant van varenbladen zie je de doosjes vaak zitten. Bij de niervarens zijn ze bijvoorbeeld niervormig. Tot deze euphyllophyta behoren de varens. Soms zijn de sporedoosjes gerangschikt in aartjes, soms zitten ze aan de onderkant van de bladen. Maar de mannelijke en de vrouwelijke sporen moeten elkaar nog wel zelfstandig ergens tegenkomen om samen verder te gaan en uit te groeien als nieuwe varen.
De volgende grote stap in de evolutie van de planten was de vorming van zaden, die door meeldraadkorrels bevrucht worden. Deze zaadplanten verzorgen dan de zaden tot ze rijp zijn en de nieuwe plant alleen nog hoeft te ontkiemen. Het doet mij altijd denken aan de broedzorg die ook in het dierenrijk de leidraad van de evolutie is.
Aanvankelijk hadden de naaktzadigen onbedekte zaden. Denk aan de zaden in denneappels die er bij het schudden zo uitvallen. Geen noten, bessen, peulen of noem maar op, maar gewoon de zaden, de pitjes. Hier had de natuur ook een antwoord op. De pitjes krijgen een flinke bescherming totdat de omstandigheden goed zijn voor ontkiemen. Ook handig zijn de technieken die de bedektzadigen hebben bedacht om zich te verspreiden en insekten het bestuivingswerk te laten doen.